Omar en zijn gedrag jegens kinderen

in MetgezellenOmar

Al-Haythami:

Van Omar bin al-Khattab, die zei: Qais bin `Asim kwam naar de Profeet (s) en vroeg: “Ik heb mijn dochters begraven in de tijd van onwetendheid.” De Profeet (s) zei: “Bevrijd een slaaf voor iedere dochter (die je begraven hebt).” Ik zei toen: “Ik ben een eigenaar van kamelen?” Hij (s) antwoordde: “Geef een kameel weg voor iedere dochter (die je begraven hebt).”

Overgeleverd door Al-Bazzar en Al-Tabarani, en de overleveraars van Al-Bazzar zijn Sahih(authentiek), behalve Husain bin Mahdi, maar hij is betrouwbaar.

Bron: Majma`, Vol. 7, Blz. 204, # 11469

 

 

Al-Nawawi:

Het is overgeleverd van Omar bin al-Khattab, dat hij zei: “O boodschapper van Allah, in de tijd van onwetendheid begroef ik mijn dochters levend.” De Profeet (s) antwoordde: “Bevrijd een dienaar voor iedere dochter die je levend hebt begraven.”

Een mu’ouda is een meisje dat vermoord wordt bij haar geboorte. In de tijd van onwetendheid praktiseerden de mensen dit wegens angst voor schaamte en armoede.

Bron: Al-Majmou`, Vol. 19, Blz. 187

 

 

Al-Mawardi:

Het is overgeleverd dat Omar bin al-Khattab zei: “O boodschapper van Allah, in de tijd van onwetendheid heb ik mijn dochters levend begraven.” Hij (s) antwoordde daarop: “Bevrijd een dienaar voor iedere dochter die je levend begraven hebt.”

Tijdens de dagen van onwetendheid groeven de Arabieren een gat onder de zwangere vrouw. Wanneer zij op het punt stond om te bevallen, zou het kind vallen in het gat. Als het kind een jongetje was, werd hij eruit gehaald. Als het een meisje was, werd zij erin gelaten en werd er zand over haar heen gegooid, totdat ze stierf. Dit is moord met opzet en daarop staat boetedoening.

Bron: Al-Hawi al-Kabir, Vol. 13, Blz. 67

 

 

Al-Shanqiti:

Het is overgeleverd van Omar, dat hij zei: Er zijn twee dingen van de dagen van onwetendheid, waarvan één van hen mij doet huilen en de ander mij doet lachen. Wat betreft hetgeen dat mij doet huilen: Ik ging weg met mijn dochter om haar levend te begraven. Ik was een graf voor haar aan het graven en zij was het zand van mijn baard aan het afstoffen. Zij wist niet wat ik met haar van plan was. Als ik daaraan terugdenk, moet ik huilen. En het ander: Ik maakte altijd een god van dadels, die ik op mijn hoofd plaatste om mij te beschermen in de nacht. Als ik ongedeerd wakker werd, at ik het op. Als ik daaraan terugdenk, lach ik mijzelf uit.

Bron: Adwa’ ul-Bayan, Vol. 9, Blz. 63

 

 

`Abbas Mahmoud al-`Aqqad:

In de dagen van onwetendheid had hij een dochter levend begraven op zo’n afschuwelijke manier, zoals beschreven is in enkele overleveringen. Het verhaal in het kort: Hij zat met een paar metgezellen toen hij een beetje lachte en daarna huilde. Degenen die aanwezig waren vroegen hem daarover, dus zei hij: In de dagen van onwetendheid maakten wij een afgod van dadels en vervolgens aanbaden wij het. Daarna aten we het op. Dit is waarom ik lachte. Wat betreft mijn gehuil, dat is omdat ik een dochter had en haar levend wilde begraven. Ik nam haar met mij mee en ik groef een graf voor haar. Zij begon het zand van mijn baard af te stoffen, maar ik begroef haar vervolgens levend.

Bron: `Abqariyyat Omar, Blz. 222

 

 

0