De tiende dag

karbala_stock9_by_ghareb-d348uj6
Martelaarschap zonen Muslim ibn Aqeel
22 september 2015
hal-min-nasirin
Het slachtveld van Kerbala- de eerste aanval
23 september 2015
Show all

De tiende dag

now__broke___dorsal_by_mustafa20-d5kovgt

De Tiende dag

Imam al-Baqir (as) zegt dat op deze dag de volgers van Imam Husain condoleances moeten aanbieden en het volgende moeten zeggen:  

“Moge de Almachtige God u belonen op het bloedbad van Imam Husain en ons veeleisend maken naar zijn weg met de Mahdi.”

Imam al-Kazim (as) glimlachte nooit gedurende deze tien dagen.

Voor het aanbreken van de zon op deze dag; de tiende van Muharram, bad Imam Husain het Fajr (ochtend) gebed, gaf toen een preek en zei:

“God heeft ons toestemming gegeven om te strijden op deze dag. We moeten moedig zijn en deze strijd voeren.”

Vervolgens verdeelde hij zijn kleine leger van tweeënzeventig personen onder op paarden en te voet. Hij maakte Zuhayr Ibn al-Qayn de leider van de rechter flank en Habib Ibn Mu’ahir de leider van de linker flank, terwijl hij en zijn familie naar de voorzijde gingen en Abbas de vlag droeg.

Umar Ibn Sa’d kwam met 30.000 troepen, opgesplitst en had het kamp omsingeld. Toen Shimr het vuur in de loopgraven zag, schreeuwde hij, “Oh Husain! Je haastte je naar het vuur voor de Dag des Oordeels!”

De Imam herkende hem niet en vroeg:

“Wie is dit? Het zou kunnen dat het Shimr Ibn dhil-Jawshan is.”

Zijn volgers vertelden hem dat het Shimr was en de Imam zei:

“Jij bent degene die het vuur verdient.”

Ibn ‘Awsajah wilde Shimr met een pijl neerschieten, maar de Imam hield hem tegen en zei:

“Ik wil deze strijd niet beginnen.”

Toen hief de Imam zijn hand op in de lucht en zei:

“O God, Jij bent mijn vertrouwen in alle moeilijkheden, mijn hoop in alle ellende, Jij maakt van iedere zwakte een kracht, wanneer er
geen vrienden zijn en er vele vijanden zijn. Jij bent de Beschermer en de Enige Hoop.”

Toen vroeg hij om zijn paard, klom erop en riep hard zodat iedereen hem kon horen:

“Oh mensen! Luister naar mij. Haast je niet tot het vechten voordat ik jullie mijn situatie heb verteld. Als jullie het aanvaarden en rechtvaardig zijn in jullie besluit, zou dit beter voor jullie zijn. Als jullie het afwijzen en het niet accepteren en niet rechtvaardig willen zijn, doe dan wat je wilt. Ik wil niet dat jullie in twijfel verkeren en God is de Beschermer. “

Toen de vrouwen hem hoorden, begonnen ze te huilend en te gillen. De Imam vroeg zijn broeder Abbas en zijn zoon Ali al-Sajjad hen te troosten, toen zei hij:

“Alle lof zij met God, de Boodschapper van God en al zijn engelen. Oh mensen! Vrees God en wees bang voor deze wereld. Niemand zal in deze wereld eeuwig leven. Als er iemand was die eeuwig zou leven, zouden de Profeten dat meer verdienen dan wie ook. Maar zij stierven allemaal. Alles in deze wereld gaat tevergeefs over. Wees vreesachtig voor God om succesvol te blijven.”

“Oh mensen! God heeft deze wereld gecreëerd opdat het vernietigd moge worden. De persoon die misleid is, is misleid door deze wereld. Jullie zijn hier bijeengekomen voor een zaak dat niet deugt. Als jullie dit doen dan zullen jullie de woede van God op jullie halen. Jullie geloofden in God en de Boodschapper van God, maar vervolgens proberen jullie de kinderen van Zijn Boodschapper te vermoorden.”


“Oh mensen! Vertel mij wie ben ik en bekijk jezelf dan. Is het jullie toegestaan mij te vermoorden en mijn familie te onteren? Ben ik niet de zoon van de dochter van jullie Profeet (vzmh)? Ben ik niet de zoon van zijn neef, de eerste gelovige in God? Is Hamzah, leider van
de martelaren, niet de oom van mijn vader? Is Ja’far al-Tayyar niet mijn oom? Hebben jullie de Boodschapper van God niet horen zeggen, toen hij tegen mijn broeder en mij zei:

“Deze twee zijn de meesters van de jeugd van de hemel?”

Als jullie zeggen dat het zo is, dat dit de waarheid is en ik niet heb gelogen, terwijl ik realiseer dat God niet van de leugenaars houdt. Als jullie zeggen dit niet gehoord te
hebben en  jullie denken dat ik een leugenaar ben, vraag dan degenen onder jullie die dit wel gehoord hebben.”

Hij noemde een aantal van hen bij naam en zei:

“Is dit niet genoeg voor jullie om jullie tegen houden om mij te vermoorden?”

Imam Husain (as) zijn woorden hadden effect op de soldaten. Dit viel Shimr op en hij zag dat de soldaten meer van de waarheid wilden horen. Dus hij sprak zijn eigen mensen aan en zei:

“Deze man weet niet wat hij zegt.”

Habib Ibn Mu’ahir zei:

“Voorzeker bij God, hij weet wat hij zegt en hij is geloofwaardig.”

De Imam (as) zei:

“Twijfelen jullie over wat ik zeg, dat ik de zoon van de dochter van jullie
Profeet (vzmh) ben?

Voorzeker, bij God, er is niemand in het Oosten of het Westen die de
zoon van de dochter van jullie Profeet (vzmh) is dan ik. Willen jullie mij vermoorden omdat ik iemand van jullie mensen heb vermoord? Heb ik iemand van jullie vermoord dan ? Heb ik iets vanuit jullie rijkdom in beslag genomen?”

De soldaten antwoordden niet.

De Imam (as) noemde toen Shibth, Hajjaj, Qays en Zayd Ibn Harith en zei:

“Hebben jullie mij niet een brief geschreven en in de brief vermeld: 

Kom naar ons land, het hele land is groen en het hele volk wacht op u?”

Ze antwoordden: 

“Nee, dat hebben we niet gedaan.”

De Imam (as) zei:

‘’Voorzeker, bij God, dat hebben jullie wel gedaan.”

Hij keerde zich naar de rest van de troepen en zei:

“Oh mensen! Als jullie mij niet mogen, laat me dan elders heengaan.’’

Qays Ibn al-Ash’ath zei:

“Waarom gehoorzaamt u niet het bewind van uw neven (de Ummayaden)?

Voorwaar, ze tonen u niets dan wat u wenst en ze zullen u geen kwaad
doen.”

De Imam (as) antwoordde:

“Jullie zijn hun broeders. Voorzeker, bij God, ik zal mijn hand niet aan jullie geven in vernedering en ik ga mijzelf niet aan jullie onderwerpen als

een slaaf. Oh mensen! Ik heb mijn punt aan jullie duidelijk gemaakt en God is de Getuige.”

Toen kwam er plotseling een groep richting de kamp van de Imam (as). Ibn Hawzah zei drie keer:

“Waar is Husain (as)?”

De volgelingen van de Imam (as) zeiden:

“Hier is Husain (as). Wat willen jullie van hem?”

Ibn Hawzah zei:

“Jij zult naar de hel gaan, Husain!”

De Imam (as) zei:

“Jij bent een leugenaar. Ik zal bij een Vergevende Heer arriveren. En wie
ben jij?”

Ze vertelden hem dat hij Ibn Hawzah was. Toen hief de Imam (as) zijn hand op en zei:

“Oh God! Alstublieft stuur hem naar het vuur.”

Ibn Hawzah werd erg kwaad. Plotseling ging zijn paard tekeer, Ibn Hawzah viel en werd in stukjes getrapt door zijn eigen paard. Toen dit gebeurde, realiseerden sommige soldaten dat zij aan de verkeerde zijde vochten.

Daarna stapte Zubayr Ibn al-Qayn naar voren en gaf zijn eigen preek:

“Oh mensen van Kufah! Wij zijn allen van hetzelfde religie en uit dezelfde stad. Wij zijn het gevecht niet begonnen en wanneer het gevecht begint zal het niet eindigen tot aan de dood. Ik roep jullie op om de kleinzoon van de Profeet (vzmh) te helpen en Yazid en zijn volgelingen te verlaten. Jullie zullen niets goeds van Yazid en zijn volgelingen zien.
Jullie hebben gezien wat hij met goede mensen doet zoals Hijr Ibn Edi, Hani Ibn Urwah en anderen. 

Oh mensen! De Leden van het Huis van de Profeet (vzmh) verdienen meer loyaliteit dan wie ook. Ik waarschuw jullie voor het doden van de beste mensen om jullie heen!”

Plotseling schoot Shimr een pijl naar hem en zei:

“Stilte! Jij praat te veel!”

Zuhayr antwoordde:

“Ik praatte niet tegen jou. Jij bent een beest. Jij kent zelfs geen woord uit de Heilige Koran. Jij verdient vernedering op de Dag des Oordeels.”

Shimr zei:

“God zal jou en je vrienden binnen een uur vermoorden.”

Zuhayr antwoordde:

“De dood voor Zijn zaak is het beste.”

De Imam (as) stuurde iemand om Zuhayr terug te halen. Daarna vroeg Burayr Ibn Khutayr om toestemming aan de Imam (as) om hierna het leger te gaan waarschuwen tegen het kwaad van het doden van degenen die het niet verdienen. Hij was een hele oude man.

Hij ging naar het leger zei:

“Oh mensen! God heeft Mohammed (vzmh) gezonden als een waarschuwer en een brenger van goed nieuws en een oproeper naar God. Hier is het water van de Eufraat. Varkens en honden drinken eruit, maar de Leden van het Huis van de Profeet (vzmh) wordt niet toegestaan om hieruit te drinken?”

De troepen antwoordden:

“Praat niet te veel. Husain (as) moet doodgaan van de dorst en hij zal geen water krijgen.”

Burayr antwoordde:

“De Leden van het Huis van de Profeet (vzmh) zijn hier bij jullie! Wat proberen jullie te doen?”

Ze zeiden:

“We willen ze naar de gouverneur Ibn Ziyad meenemen en hij zal beslissen wat hij met ze wil doen.”

Burayr zei:

“Als jullie je brieven en beloftes zijn vergeten, laat hem dan teruggaan naar waar hij wil.”

Sommigen van hen zeiden:

“We weten niet waar je het over hebt.” 

Nadat ze pijlen op hem probeerde af te schieten, ging hij terug naar Imam Husain (as).

De Imam (as) ging voor de tweede keer naar hen toe, met een Koran bij zich en zei:

“Oh mensen! Tussen jullie en mij is deze Koran en de traditie van mijn Grootvader.”


Hij vroeg hen weer:

“Wat willen jullie van mij?”

Ze zeiden:

“We willen dat je Ibn Ziyad, de gouveneur gehoorzaamt.”

De Imam (as) uitte zijn woede en antwoordde toen”

“Wee op jullie! Jullie vroegen ons jullie te komen helpen en wij zijn gekomen. Wanneer we tot jullie gekomen zijn, keren jullie je zwaarden tegen ons. Nu roepen jullie ons op om diegene te gehoorzamen die tegen de Heilige Koran zijn, degene die de waarheid verandert, degene die de instrumenten van de Satan zijn en degene die de traditie van de Profeet (vzmh) proberen te vernietigen.

Wee op jullie! Hoe kunnen jullie je tegen ons keren en hen helpen? Voorzeker, bij God, dit is verraad en van jullie oude karakteristieken. Jullie zijn de slechtste vruchten. 

Voorwaar, de zoon van de bastaard heeft mij twee keuzes gegeven: vechten of vernedering. Vernedering is onmogelijk voor God en Zijn Boodschappers, noch zouden de gelovigen dat toestaan, dus ik heb geen keuze dan slechts te vechten met deze familie, gering in aantal en zonder helpers. Maar jullie moeten onthouden, jullie zullen hierna niet eerzaam blijven.”

Toen keerde de Imam (as) zijn handen naar de hemel en zei:

“Oh God! Verhinder de regen van deze mensen en plaats ze onder de soevereiniteit van iemand van Thaqif (een van de voornaamste stammen uit Taif, in Arabië in de tijd van de Profeet vzmh) die ze zal laten zien wat voor soort vernedering zij ons hebben gebracht.”

Toen zei hij tegen Umar:

“Jij denkt dat je het gouverneurschap van Ray gaat krijgen. Ik zeg je dat je dat niet zal krijgen, maar je hoofd zal een voetbal zijn voor de kinderen van Kufah!”

Toen Hurr al-Riyahi de Imams (as) preek hoorde, ging hij naar Umar Ibn Sa’d en vroeg;

“Ben je serieus in het vechten tegen deze man?”

Umar antwoordde;

“Ja. Ik zal vechten totdat hun hoofden en handen eraf gesneden zijn.”

Hurr zei:

“Wat is er verkeerd met wat hij aan jou voorstelt ?”

Umar zei:

“Als het aan mij was, had ik het geaccepteerd. Maar jouw gouverneur weigert elk compromis.”

Daarna verliet Hurr hem en ging terug naar zijn positie in zijn leger. Qurrah stond naast Hurr. Hurr draaide zijn gezicht naar Qurrah en vroeg hem:

“Heb jij je paard vandaag water gegeven?”

Hij antwoordde:  “Nee.”

Hurr vroeg hem: “Wilde je hem vandaag water geven?” 

En verliet hem. Qurrah dacht dat hij zijn paard water ging geven.

Toen Hurr dichter bij het kamp van de Imam (as) kwam, vroeg een andere soldaat:

“Probeer jij tegen Imam Husain (as) te vechten?”

Hurr bleef stil. Muhajir zei:

“Ik ben in de war. Ik dacht dat jij de meest moedige persoon in Kufah was. Nu zie ik je aarzelen. Waar gaat deze aarzeling over?”

Hurr antwoordde:

“Ik zie mezelf tussen de hemel en de hel. Ik moet het een over het andere verkiezen. Voorzeker, bij God, Ik ga niets anders dan de hemel kiezen, zelfs

als ik in brand word gestoken!“

En hij haastte zich naar Imam Husain (as). Hij keerde zijn speer om en zijn beschutting en verlaagde zijn hoofd rijdend naar de Imam (as) toe. 

Naarmate hij dichterbij kwam, nam zijn snelheid af en toen hij de Imam (as) had bereikt, zei hij, Oh God! Ik ben berouwvol voor wat ik gebracht heb: ellende in de harten van de kinderen van Jouw Profeet (vzmh). 

Oh Aba Abdullah (Imam Husain as)! Ik ben berouwvol. Wordt dit aanvaard?”

Imam Husain (as) zei:

“Voorzeker, God accepteert berouw.”

Toen zei hij tegen de Imam (as):

“Toen ik Kufah verliet, hoorde ik iemand zeggen: Hurr, jij gaat naar de hemel. Ik wist niet wat hij bedoelde. Nu weet ik het.”

Hij sloot zich bij de Imam (as) aan met een Turkse slaaf om toestemming te vragen om met het leger van Umar te gaan praten. De Imam (as) stemde hiermee in.

Hurr ging en schreeuwde naar hen en zei:

“Oh volk van Kufah! Jullie hebben de Imam (as) geroepen en hem uitgenodigd om zich bij jullie aan te sluiten. 

Waarom hebben jullie je dan tegen hem verzameld vanuit iedere plaats? 

Waarom houden jullie hem tegen om naar het land van God te vertrekken en van het water uit de 
Eufraat, waaruit alle naties: de Joden, Christenen en de Zoroastriërs drinken? Zelfs zwijnen en honden drinken hier vrij uit, maar jullie houden het Huis van de Profeet (vzmh) tegen om hieruit water te drinken?”

Toen schoot het leger met pijlen naar hem en hij ging terug naar het kamp van de Imam (as).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *