De aanval op het huis van Fatima

kennis
Het belang van het opdoen van kennis
20 september 2015
karbala_stock9_by_ghareb-d348uj6
Martelaarschap zonen Muslim ibn Aqeel
22 september 2015
Show all

De aanval op het huis van Fatima

Aanval

Het verloop van het verhaal vanuit een sjiitisch perspectief.

Sulaym bin Qays (ra):

ثم أمر أناسا حوله أن يحملوا الحطب فحملوا الحطب وحمل معهم عمر، فجعلوه حول منزل علي وفاطمة وابناهما عليهم السلام. ثم نادى عمر حتى أسمع عليا وفاطمة عليهما السلام: (والله لتخرجن يا علي ولتبايعن خليفة رسول الله وإلا أضرمت عليك بيتك النار! فقالت فاطمة عليها السلام: يا عمر، ما لنا ولك؟ فقال: افتحي الباب وإلا أحرقنا عليكم بيتكم

Omar beval een groep mensen om hem heen om brandhout te dragen. Vervolgens droegen zij brandhout, en Omar droeg ook mee. Zij plaatsten het hout rondom het huis van Ali, Fatima en hun twee zonen (as). Vervolgens riep Omar, totdat Ali en Fatima (as) hem konden horen: “Wallah, jullie komen naar buiten! O Ali, en jullie zullen de eed afleggen aan de opvolger van de Profeet. Zo niet, dan zal ik jouw huis op met jou erin laten afbranden!”
Fatima (sa) zei: “O Omar. Wat is er tussen jou en ons?” Hij zei: “Open de deur, anders zullen we jullie huis met jullie erin laten afbranden.”

فقالت: (يا عمر، أما تتقي الله تدخل على بيتي)؟ فأبى أن ينصرف ودعا عمر بالنار فأضرمها في الباب ثم دفعه فدخل فاستقبلته فاطمة عليها السلام وصاحت: (يا أبتاه يا رسول الله) فرفع عمر السيف وهو في غمده فوجأ به جنبها فصرخت: (يا أبتاه) فرفع السوط فضرب به ذراعها فنادت: (يا رسول الله، لبئس ما خلفك أبو بكر وعمر

Fatima al-Zahra (sa) zei: “O Omar, vrees jij Allah dan niet, dat jij mijn huis wilt binnentreden?” Omar weigerde om weg te gaan. Hij beval om vuur en hij stak de deur in brand. Vervolgens duwde hij de deur, en Fatima (sa) confronteerde hem, en zij schreeuwde: “O vader, O Boodschapper van Allah!” Vervolgens verhief Omar zijn zwaard, terwijl het nog in zijn schede zat, en hij sloeg haar daarmee op haar zij. Zij schreeuwde: “O vader!” Vervolgens verhief hij de zweep en sloeg daarmee haar arm. Zij riep: “O Boodschapper van Allah! Slecht is hetgeen wat Abu Bakr en Omar na jou hebben gedaan!”

فوثب علي عليه السلام فأخذ بتلابيبه ثم نتره فصرعه ووجأ أنفه ورقبته وهم بقتله، فذكر قول رسول الله صلى الله عليه وآله وما أوصاه به، فقال: (والذي كرم محمدا بالنبوة – يا بن صهاك – لولا كتاب من الله سبق وعهد عهده إلي رسول الله صلى الله عليه وآله لعلمت إنك لا تدخل بيتي

Ali (as) stond op en greep Omar bij zijn kraag. Vervolgens duwde hij hem weg en sloeg hem op zijn neus en nek, en hij overwoog om hem te vermoorden. Maar hij herinnerde zich de uitspraak van de Profeet (sawa), en hetgeen wat hij (sawa) aan hem heeft toevertrouwd, dus Ali zei (tegen Omar): “Ik zweer op Degene Die Mohammad met de profeetschap gezegend heeft, O zoon van Suhak! Als het niet voorbestemd was door Allah en het geen belofte was van de Profeet (sawa) die hij aan mij deed, dan wist je dat je mijn huis nooit zou kunnen binnentreden!”

فأرسل عمر يستغيث، فأقبل الناس حتى دخلوا الدار وثار علي عليه السلام إلى سيفه فرجع قنفذ إلى أبي بكر وهو يتخوف أن يخرج علي عليه السلام إليه بسيفه، لما قد عرف من بأسه وشدته فقال أبو بكر لقنفذ: (إرجع، فإن خرج وإلا فاقتحم عليه بيته، فإن امتنع فاضرم عليهم بيتهم النار). فانطلق قنفذ الملعون فاقتحم هو وأصحابه بغير إذن، وثار علي عليه السلام إلى سيفه فسبقوه إليه وكاثروه وهم كثيرون، فتناول بعضهم سيوفهم فكاثروه وضبطوه فألقوا في عنقه حبلا وحالت بينهم وبينه فاطمة عليها السلام عند باب البيت، فضربها قنفذ الملعون بالسوط فماتت حين ماتت وإن في عضدها كمثل الدملج من ضربته، لعنه الله ولعن من بعث به

Omar begon om hulp te roepen. De mensen draaiden om en gingen het huis binnen. Ali (as) reikte naar zijn zwaard, dus Qunfud keerde terug naar Abu Bakr. Dit omdat hij bang was dat Ali (as) naar buiten zou komen naar hem met zijn zwaard, aangezien hij bewust was van zijn dapperheid en vastberadenheid. Abu Bakr zei tegen Qunfud: “Keer terug. Als hij niet naar buiten komt, breek dan zijn huis op hem neer. Als hij dan nog steeds weigert, brand dan hun huis over hen neer met vuur!” Qunfud vertrok dus en ging samen met zijn metgezellen het huis in zonder toestemming. Ali reikte naar zijn zwaard, maar de mensen waren hem eerder. Ze namen hem vast, en ze waren met z’n velen. Sommigen van hen trokken hun zwaarden. Ze grepen hem en hielden hem vast. Ze plaatsen een touw om zijn nek. Fatima (sa) kwam tussen hem en hen in staan bij de deur van het huis. Qunfud sloeg haar met een zweep. Toen zij stierf was er een litteken om haar schouder van die slag. Moge Allah hem vervloeken, en degene die hem gezonden heeft.

ثم انطلق بعلي عليه السلام يعتل عتلا حتى انتهي به إلى أبي بكر، وعمر قائم بالسيف على رأسه ، وخالد بن الوليد وأبو عبيدة بن الجراح وسالم مولى أبي حذيفة ومعاذ بن جبل والمغيرة بن شعبة وأسيد بن حضير وبشير بن سعيد وسائر الناس جلوس حول أبي بكر عليهم السلاح

Vervolgens sleurden ze Ali (as) totdat ze aankwamen bij Abu Bakr. Omar stond met zijn zwaard boven zijn hoofd. Khalid bin al-Walid, Abu `Obayda bin al-Jarrah, Salim, de dienaar van Abi Hudhayfa, Ma`adh bin Jabal, Al-Mughiera bin Shu`ba, Usayd bin Hudhair, Bashir bin Sa`id en de rest van de mensen, zaten rond Abu Bakr met hun wapens.

Bron: Asrar Ale Mohammad

وقد كان قنفذ لعنه الله ضرب فاطمة عليها السلام بالسوط – حين حالت بينه وبين زوجها وأرسل إليه عمر: (إن حالت بينك وبينه فاطمة فاضربها) – فألجأها قنفذ لعنه الله إلى عضادة باب بيتها ودفعها فكسر ضلعها من جنبها فألقت جنينا من بطنها. فلم تزل صاحبة فراش حتى ماتت صلى الله عليها من ذلك شهيدة

En Qunfud had Fatima (sa) geslagen met een zweep, toen zij tussen hem en haar man instond. Omar had heb gezonden met de boodschap: “Als Fatima tussen jou en hem komt in te staan, sla haar dan!” Dus Qunfud, moge Allah hem vervloeken, forceerde haar om te schuilen achter de deur van haar huis. Hij duwde het, waardoor haar ribben van haar zij braken en zij een miskraam kreeg. Zij bleef (doodziek) op haar bed, totdat zij daardoor als een martelaar stierf.

قال: ولما انتهى بعلي عليه السلام إلى أبي بكر انتهره عمر وقال له: بايع ودع عنك هذه الأباطيل فقال عليه السلام له: فإن لم أفعل فما أنتم صانعون؟ قالوا: نقتلك ذلا وصغارا فقال عليه السلام: إذا تقتلون عبد الله وأخا رسوله. فقال أبو بكر: أما عبد الله فنعم، وأما أخو رسول الله فما نقر بهذا قال: أتجحدون أن رسول الله صلى الله عليه وآله آخى بيني وبينه؟ قال: نعم. فأعاد ذلك عليهم ثلاث مرات. ثم أقبل عليهم علي عليه السلام فقال: يا معشر المسلمين والمهاجرين والأنصار، أنشدكم الله، أسمعتم رسول الله صلى الله عليه وآله يقول يوم غدير خم كذا وكذا وفي غزوة تبوك كذا وكذا؟ فلم يدع عليه السلام شيئا قاله فيه رسول الله صلى الله عليه وآله علانية للعامة إلا ذكرهم إياه قالوا: اللهم نعم

Toen zij met Ali (as) aankwamen bij Abu Bakr, berispte Omar hem, en zei tegen hem: “Leg jouw eed af, en ontdoe jezelf van deze ijdelheid!” Dus hij (as) zei: “En als ik dat niet doe, wat zullen jullie dan doen?” Zij zeiden: “We zullen je vermoorden op een vernederende en denigrerende wijze.” Hij (as) zei: “Dus jullie zullen de dienaar van Allah en de broer van Zijn Boodschapper vermoorden?” Abu Bakr zei: “Wat betreft ‘de dienaar van Allah’, dat klopt. Wat betreft ‘de broer van de Profeet’, dit erkennen we niet.” Hij (as) zei: “Ontkennen jullie dat de Profeet (sawa) broederschap tussen mij en hem heeft gevestigd?” Hij zei: “Ja.” Vervolgens herhaalde hij dat driemaal aan hen. Vervolgens keerde Ali (as) naar hen, en zei: “O moslims, emigranten en helpers! Ik verzoek jullie bij Allah. Hebben jullie de Profeet (sawa) hetgeen niet horen zeggen op de dag van Ghadier Khum, en hetgeen tijdens het slagveld van Tabouk?” Ali (as) liet niets weg van hetgeen dat de Profeet (sawa) publiekelijk tegen hem gezegd had, behalve hetgeen hij aan hen had vermeld. Zij zeiden: “O Allah, dat klopt.”

Bron: Asrar Ale Mohammad

ثم قال: قم يا بن أبي طالب فبايع. فقال: فإن لم أفعل؟ قال: إذا والله نضرب عنقك فاحتج عليهم ثلاث مرات، ثم مد يده من غير أن يفتح كفه، فضرب عليها أبو بكر ورضي بذلك منه فنادى علي عليه السلام قبل أن يبايع – والحبل في عنقه -: (يا بن أم إن القوم استضعفوني وكادوا يقتلونني

Omar zei: “Sta op, O zoon van Abu Talib, en leg jouw eed af!” Hij (as) zei: “En als ik dat niet doe?” Omar zei: “Wallah, dan zullen we jou onthoofden.” Hij zei dit driemaal tegen hen. Vervolgens stak hij zijn hand naar voren zonder het te openen. Abu Bakr raakte het aan, en daar nam hij genoegen mee. Ali (as) riep voordat hij zijn eed aflegde en het touw om zijn nek zat: “O zoon van mijn moeder! Het volk achtte mij zwak en zij stonden op het punt om mij te vermoorden!” [7:150]

Bron: Asrar Ale Mohammad

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *